035 533 98 34 info@demess.nl

Opschudding in het literaire wereldje naar aanleiding van het boekenweekessay van kapper/schrijver/dwarsdenker ‘Lieve Eus’  die een knuppel in het elitaire, incestueuze hoenderhok gooide. Daar is menigeen not so amused over. Maar hij entameerde er wel een interessante discussie mee waarvoor de tijd rijp lijkt. Deed een beetje denken aan de column Cabaret die Youp in 1995 afscheidde bij Honderd Jaar Cabaret. Cabaretiers koesteren, als ik het wel heb,  de zelfspot dus we nemen maar voetstoots aan dat zij die ironie wél aan konden.

Cabaret

Honderd jaar cabaret! Deze aanhef staat boven een op de vier brieven die bij mij binnenkomen en dan begint er iemand van een omroep, een theater, een festival of een krant dat hij of zij binnen dit kader iets gaat doen. Een pagina, een item, een forum, een bijlage, een discussie, een boek of weet ik veel wat. En het leek ons leuk als u dan een bijdrage zou willen leveren……
Geeuwend leg ik de post terzijde en ik denk steeds vaker: lazer op met je theoretische geneuzel. Hou op met het analyseren en determineren van de humor. Een grap is een grap en meer niet. Punt. En een cabaretier is een grappenmaker die het podium betreedt om ten eerste leuk te zijn en ten tweede leuk en ten derde leuk en het is leuk meegenomen als hij ook nog wat te vertellen heeft. Elke goede grap heeft sowieso een hoog zuur- of zoutgehalte en daar hoef je niet met allerlei tweederangslolbroeken in een sneu forumpje uren over te kakelen. En als dan ook nog recensenten als zogenaamde deskundigen mee gaan zitten neuzelen, wordt het helemaal een incest-bijeenkomst.
Er wordt veel te veel gecabaret in dit land. Je hebt meer festivals dan cabaretiers en ik heb me laten vertellen dat de Budelse groep Open Deur in Leiden tweede is geworden, in Amsterdam de eindronde niet heeft gehaald en in Rotterdam van een van enthousiasme gek geworden zaal de publieksprijs kreeg toebedeeld. Ze lieten in Groningen alle stand-up comedians ver achter zich. Daar zat de werkster van de zus van Paul van Vliet in de jury omdat ze de werkster van de zus van Paul van Vliet is. Ze klaarde het klusje samen met de vrouw van de rijinstructeur van de dochter van Freek de Jonge, de rechterhand van de tweede man van de schouwburg in Stadskanaal en de cabaretrecensent van de Alphense Koerier, die onlangs nog de halfzus van Seth Gaaikema interviewde.
Stand-up comedian is ook zo’n verschijnsel waar ik zacht brandende uitslag van krijg. Een avond in een kroeg en dan tien stand-ups achter elkaar. Een neger, een nicht, een stotteraar, een jood, nog een neger, een stotterende nicht, een vrouw, nog een stotteraar, een aarzelaar met een accent en nog een vrouw. Ik heb begrepen dat als je als vrouw de woorden neuken en beffen door de kroeg laat rinkelen de tent wordt afgebroken, en als je als neger negermoppen tapt iedereen drie keer zo hard lacht. Hoe meer ziektes en invaliden door het deeg zijn gekneed hoe lekkerder de cake.
Iedereen cabaret zich suf en nu gaat ook nog het ergste gebeuren. Er komt een blad uit en het heet: Cabaret. Dus een pagina of vijftig over uitsluitend cabaret. Droever kan het toch niet. Wat gaan ze doen? Waar gaan ze het over hebben? Wie worden er geïnterviewd en wat gaan ze vertellen? Krijgen we de rubriek: ‘Wist u dat….?’
Of het ditjes-en-datjesjournaal van Jacques d’Ancona? Of een reportage met als kop ‘Zo woont Herman Finkers’? Moet ik mijn lievelingsrecept opsturen? Gaan we met alle nieuwe abonnees naar de première van Tineke Schouten?

Volgens mij moet een cabaretier constateren in wat voor debielencircus we rondhangen en daar iets vrolijks over zeggen, maar toch niet mee gaan doen aan al die treurigheid. Een blad over cabaret is toch dodelijker dan dodelijk en een reden om verpletterend in de lach te schieten. Ik zie mezelf al naar de brievenbus rennen om te kijken of de nieuwe Cabaret er al is.
Het cabaret is ooit begonnen in keldertjes en spelonken van de grote stad. Daar werden dingen gezegd en gezongen die niet voor ieders oren waren bestemd en de eerste aanzet tot de revolutie zouden kunnen zijn. En nu, honderd jaar later, verschijnt er een politiek correct blad bij een wat sullige uitgeverij en krijgen we waarschijnlijk de goudvis van Jos Brink en Frank Sanders op de cover. Een cabaretier moet zout in de wonde wrijven, citroen in de ogen spuiten en iedereen een beetje wakker schudden en vooral wakker houden. En een cabaretier moet zichzelf zeker niet serieus gaan nemen en over het kleine kunstje hoeft absoluut geen blad te worden uitgebracht. Dan wordt het namelijk een beetje sneu!
Zo en nu snel naar de redactievergadering van De Columnist.